Vrijdag werd in Peking het officiële startschot gegeven van de Olympische Spelen. Over die Spelen, en vooral over het land waarin het georganiseerd wordt, zijn er de voorbije maanden en jaren al liters inkt, al dan niet digitaal, gevloeid. China neemt een steeds prominentere plaats in op het wereldtoneel, wat vooral door het Westen met een zeker wantrouwen wordt bekeken. Er schijnt aan China wel vanalles te schorten, gaande van het gebrek aan respect voor de mensenrechten, intellectuele eigendom, milieu, democratie, tot de in onze ogen rare eetgewoonten.
Jong N-VA heeft zich al vaak kritisch uitgelaten over de Spelen in Peking, omdat die, draai of keer het hoe je wil, door het regime toch als een groots promo-event worden aangegrepen. De toekenning van de Spelen zou zorgen voor meer openheid, een betere naleving van de mensen- en burgerrechten, ja zelfs voor het milieu, heette het. Of daar allemaal iets van in huis is gekomen is zeer twijfelachtig. In ieder geval staat China nu volop in de belangstelling. Deze week wordt dan ook de China-week bij Jong N-VA. In deze rubriek zullen we wat dieper ingaan op de problemen met de etnische minderheden, religie, de economie en het milieu. Tot slot proberen we samen te vatten of en hoe China is veranderd sinds de toekenning van de Olympische Spelen.
Maar, omdat de Geschiedenis de moeder is van alle wetenschappen, beginnen we met een kort overzicht van de recente geschiedenis van China. Daarover alleen al valt een dik boek te schrijven, maar we trachten het zeer summier te houden. In enkele zinnen gaan we over de periode van de overgang van het keizerrijk naar de republiek tot aan de Japanse Bezetting en de burgeroorlog. De post-WOII-periode komt iets uitgebreider aan bod.
Van Bokseroorlog tot Burgeroorlog (1899-1949)
Dankzij de militaire dominantie van Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland werd China in de 19de eeuw, na eeuwenlange isolatie en protectionisme, gedwongen enkele zeer nadelige verdragen te aanvaarden waardoor het Westen de facto de Chinese handel, de mijnen en de havens in hun greep hadden. Hiertegen ontstond in 1899 op het platteland een rebellie, die de steun kreeg van het zwakke keizerlijke hof. De opstandelingen, die ‘Boksers’ genoemd werden naar de traditionele vechtkunst die ze beoefenden, begonnen Westerlingen en de Westerse infrastructuur aan te vallen. De opstand werd in 1901 neergeslagen door een grote coalitie van Westerse en Japanse troepen. De nederlaag straalde ook af op het keizerlijke hof, dat daarmee nog verder verzwakte.
In 1912 werd het keizerrijk afgeschaft en werd China een republiek. De nieuwe machthebbers hadden het niet makkelijk om het grote land onder controle te houden. Buiten-Mongolië en Tibet maakten hiervan gebruik om zich formeel onafhankelijk te verklaren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stond de Republiek China, net als Japan aan de zijde van de geallieerden. Toch was het Japan dat na de Vrede van Versailles de gewezen Duitse concessies in China mocht bezetten.
Het regime kreeg het steeds lastiger om het land bijeen te houden en al gauw kwamen grote delen van China onder controle van lokale warlords. Hieraan kwam in 1925 een einde, toen de nieuwe president Tsjang Kai Sjek van de Kwomintang partij aan de macht kwam die de warlords wist te verslagen.
De aandacht van Tsjang ging in de eerste plaats uit naar het bestrijden van de communisten, hoewel Japan in 1931 Mantsjoerije binnenviel en er een door hen gecontroleerde marionettenstaat in het leven riep. Toen Japan in 1937 China officieel de oorlog verklaarde moest de nationalistische leider wel een pact sluiten met de communisten om de gemeenschappelijke vijand te verjagen. Nadat Japan verslagen was laaide de strijd tussen de nationalisten en de communisten weer op. De lange en bloederige burgeroorlog werd uiteindelijk beslecht in het voordeel van Mao Tse Toeng en zijn Communistische Partij. Tsjang Kai Sjek trok zich terug op Taiwan, dat tot in 1971 door de VS als de legitieme Republiek China werd erkend.
Opbouw van de Volksrepubliek (1949-1958)
Wanneer Mao aan de macht komt, is China een puinhoop. De industrie had zware schade opgelopen door de jarenlange oorlogssituatie, de landbouwbedrijven waren niet rendabel en werkten inefficiënt, en de werkloosheid was enorm. De hervormingen van Mao bestonden in de eerste plaats uit het nationaliseren van banken en grote ondernemingen, en het onteigenen en herverdelen van land van de grootgrondbezitters. Met dat laatste wilde Mao zich verzekeren van de sympathie en de steun van de boerenbevolking. De herverdeling had echter een te grote versnippering van land, productiefactoren en arbeid teweeg gebracht. Daarom werden vanaf 1954 tientallen miljoenen boeren gedwongen in coöperatieves te stappen.
Daarnaast trachtte de overheid de economie aan te zwengelen door het eerste vijfjarenplan (1953-1957). Naar het voorbeeld en met de hulp van de Sovjetunie werd sterk geïnvesteerd in de zware industrie. Het vijfjarenplan werd een succes: de productie van kapitaalgoederen verdrievoudigde en die van de consumptiegoederen verdubbelde.
De Grote Sprong Voorwaarts (1958-1965)
Het allesoverheersende en controlerende regime ondervond tot midden jaren ’50 nauwelijks enige weerstand. In 1957 echter leidde de Honderd Bloemencampagne, een kortstondige poging tot liberalisatie, tot een regen van kritiek op het systeem, op de wantoestanden en de arrogantie van de Chinese leiders. Mao zag zich gedwongen om terug te slaan en lanceerde de Grote Sprong Voorwaarts. Het opzet van het eerste vijfjarenplan werd verlaten en men kondigde een drastische decentralisatie af. Schematisch kwam de politiek hier op neer: mobilisatie van de massa om de nijpende kapitaalarmoede en de grote technologische achterstand te overbruggen door een beroep te doen op arbeidsintensieve productiemethodes. China zocht naar een evenwicht van de ontwikkeling van industrie en landbouw. Mao wilde de revolutionaire omschakeling laten gebeuren van onderuit, via de massa van de boerenbevolking. Deze aanpak stond haaks op de vroegere Sovjetmethode, die bovenaf, centraal gepland werd, en die duidelijk voorrang gaf aan de zware industrie.
Tegelijk werden volkscommunes opgericht die niet enkel de landbouwers groepeerden, maar de hele bevolking: handelaars, arbeiders, ambtenaren, landbouwers... Elke commune werd een mini-staatje op zich, met een eigen bestuur, winkels, scholen, hospitalen, dat collectivistisch beheerd werd. Dit was zeer tegen de zin van de communistische ideologen uit Moskou en in 1960 schortte de USSR zijn steun aan China dan ook op.
De Grote Sprong Voorwaarts werd een grote flop. De hervormingen werden overhaast en ondoordacht uitgevoerd. Bovendien had de regering te kampen met interne spanningen, was er tegenstand van een belangrijk deel van de boerenbevolking en werd het land getroffen door onvoorziene natuurrampen zoals droogtes en overstromingen. Het hele project mislukte grandioos. De industrie produceerde veel, maar van lage kwaliteit, en de landbouw ging helemaal kopje onder. Het gevolg daarvan was hongersnood, die het leven kostte aan 20 tot 30 miljoen Chinezen.
De Culturele Revolutie en de aftakeling van Mao (1966-1976)
Ondanks de enorme problemen die Mao met zijn Grote Sprong Voorwaarts had veroorzaakt, bleef hij de onbetwistbare leider. Midden jaren '60 werd op zijn initiatief de Culturele Revolutie ontketend, een grootscheepse operatie gericht tegen de zogenaamde bourgeoisie in alle lagen van de bevolking. Alles wat rook naar elitarisme of de traditionele Chinese levenswijze werd bloedig de kop ingedrukt. Wat begon als een interne strijd tussen gematigde en extreme revolutionairen, groeide uit tot alweer een burgeroorlog. Mao, overtuigd van de eeuwigdurende revolutie, deed een beroep op de jeugd die, met het beroemde Rode Boekje in de hand, geleid werden door de fanatieke Rode Gardisten. De Culturele Revolutie vergleed in een massahysterie, waarbij de Rode Gardisten Mao overal meedroegen als de Grote Voorman. Tegen de terreur van de Rode Gardisten kwam, vooral op het platteland, verzet vanwege de lokale partijbonzen die gesteund werden door hun arbeidersbevolking. Het gevolg was dat honderden Gardisten werden omgebracht. Na drie jaar van een allesvernietigende structuurafbraak, deed Mao in 1967 een beroep op het leger om uit de chaos te geraken. Hoewel de strijd tussen gematigde en extremistische revolutionairen nog bleef aanhouden, was het land terug onder controle.
Begin jaren '70 begon Mao tekenen van seniliteit te vertonen. Hierdoor kreeg Premier Tsjoe En Lai meer ruimte om op het beleid te wegen. Hij slaagde er in om het land weer te pacificeren, en zich te concentreren op het welzijn van de bevolking in plaats van de permanente revolutie. Tsjoe en zijn opvolger Deng Xiaoping begonnen met de modernisering van China. Dit hield de overgang in naar een socialistische markteconomie, onder streng toezicht uiteraard van de Partij. Tegelijk werden de relaties met de Westerse landen weer verbeterd. Voor de Verenigde Staten was China, dat nadrukkelijk niet de Sovjet-lijn volgde, een interessante objectieve bondgenoot. Na Mao's dood in 1976 leek China een bladzijde omgeslagen te hebben.
Economische, maar geen democratische hervormingen (1976-1989)
Onder het door Deng uitgebouwde marktsocialisme werd het accent van de zware industrie verplaatst naar de productie van consumptiegoederen. De landbouwcommunes en de ondoelmatige centralistische planning werden overboord gegooid. De welvaart in China begon ontegensprekelijk te stijgen, en stilaan begon er een middenklasse te groeien. Toch leidde het marktsocialisme vooral tot een grote kloof tussen arm en rijk.
De hervormingen van Deng lokten ook kritiek uit. Zowel conservatieven als liberalen waren niet akkoord met de koers die gevaren werd. Van liberale kant eiste men dat de overheid meer politieke vrijheden zou gunnen. Het protest culmineerde kort na het bezoek van Sovjetleider Michail Gorbatsjov, op 4 juli 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking. De Communistische machthebbers waren duidelijk niet van plan hetzelfde lot te ondergaan als hun collega's in Oost-Europa, en onderdrukten de opstand met harde hand. China leed internationaal groot gezichtsverlies, maar de hoop op democratische hervormingen was nu wel voor lange tijd de kop ingedrukt.
Steeds meer een wereldmacht (1989- )
In de jaren '90 kwam een nieuwe sterke man aan het roer van de volksrepubliek: Jiang Zemin. Onder zijn bewind werd verder gegaan met de markthervormingen en bleef de economie sterk groeien. Tegelijk kwamen nieuwe problemen aan het licht, zoals een wijdverspreide corruptie in alle lagen van het bestuurssysteem, en een toenemende milieuvervuiling. Ook voor de vervolging van religieuze minderheden, zoals de Falun Gong, en de etnische minderheden zoals de Tibetanen en de Oeigoeren, kreeg China in toenemende mate kritiek van het Westen. China moet voor zijn niet te stuiten economische groei op zoek naar de nodige grondstoffen die het in eigen land niet kan vinden. Daarbij hanteert het vooral ten aanzien van Afrika een cynische no-nonsense strategie, waarbij mensenrechten zowat het laatste zijn waarmee men rekening houdt. Niettemin werd de economische politiek van China in 2001 bekroond met de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie. En uiteraard was de toekenning van de Olympische Spelen aan Peking een zeer lekkere kers op de taart van Premier Hu Jintao.
China zal zich steeds meer willen manifesteren op het wereldtoneel. Niet alleen is het veruit het bevolkingrijkste land ter wereld, het beschikt ook over het grootste leger op aarde, inclusief atoomwapens. Het land heeft duidelijk weinig of niets te duchten van het buitenland, en het gedraagt er zich ook naar. De grootste bedreiging voor het regime ligt waarschijnlijk binnenin, bij de groeiende middenklasse die naar politieke macht zal streven, bij de arme bevolking op het platteland die onvoldoende profiteert van de economische groei, of bij de etnische en religieuze minderheden die hun rechten opeisen.
Etnische minderheden in de Volksrepubliek China
In een land als China zijn alle cijfers bijzonder relatief. Dat geldt zeker wanneer we spreken over de bevolkingsaantallen. Het zal u niet verbazen dat er in het land van 1,33 miljard inwoners, tientallen miljoenen mensen tot een etnische minderheid behoren. De Chinese overheid erkent maar liefst 56 officiële etnieën in het land.
Uit de meest recente volkstelling blijkt dat 91,5% van de bevolking bestaat uit Han-Chinezen, of ongeveer 1,2 miljard mensen. De overige 55 volkeren vertegenwoordigen dus samen 8,5% of ‘slechts’ iets meer dan 100 miljoen mannen en vrouwen. Niet te verwonderen dus dat die minderheden het niet altijd makkelijk hebben hun taal en/of cultuur te laten stand houden. Maar ook hier is het verhaal niet zwart-wit. Enerzijds biedt de Chinese overheid wel degelijk een statuut voor de minderheidsgroepen, en wordt er soms zelfs positief gediscrimineerd. Anderzijds zorgt men er voor dat de minderheidsgroepen zich niet al té autonoom beginnen op te stellen. Separatisme wordt er steevast in één adem genoemd met terrorisme, wat meteen een prima excuus is om de zware middelen boven te halen.
Identiteit en etniciteit
De grootste minderheidsgroep vormen de Zhuang, een Tai-volk dat in het zuiden van China leeft. Zij zijn met 18 miljoen, waarvan het grootste deel in de Autonome Regio Guangxi-Zhuang woont. Op de tweede plaats staan de Mantsjoes, met zo’n 10 miljoen. Achter dit cijfer schuilt meteen de complexiteit van het vaststellen van de etniciteit van de Chinezen. Hoewel de Mantsjoe de leidende elite waren onder de laatste dynastie, is hun taal tijdens de 20ste eeuw quasi uitgeroeid. De Mantsjoe zijn dan ook grotendeels vermengd met of geassimileerd door Han-Chinezen. De laatste jaren is er echter sprake van een heropleving van de Mantsjoe-identiteit. Dit heeft vooral te maken met de voordelen die de Chinese overheid biedt aan de etnische minderheden. Zo bestaat er een soort positieve discriminatie voor de toelating tot universiteiten en tot jobs bij de overheid, wat vele Chinezen met Mantsjoe-voorouders er toe aanzet zich opnieuw te identificeren met het eertijds zo machtige volk. Het zich vereenzelvigen met een bepaalde minderheid wordt dus niet zelden beïnvloed door het feit of men er voordeel dan wel nadeel van ondervind. Misschien valt hier wel een parallel te trekken naar de talentelling in ons land destijds, en de ‘wonderbaarlijke’ verschuiving van het Frans naar het noorden. Maar dat laten we over aan gediplomeerde sociologen.
De Hui en de Miao of Hmong bezetten volgens de officiële statistieken respectievelijk plaats drie en vier in de rangschikking van Chinese minderheden. We doen beide volkeren een beetje oneer aan ze niet uitgebreid aan u voor te stellen. De eersten zijn in wezen islamitische Han-Chinezen, de laatsten wonen in het zuiden van China, in Laos en het noorden van Vietnam en Thailand.
Oeigoeren
Over de Islamitische Oeigoeren, met ongeveer 9 miljoen in China, valt iets meer te zeggen. Dit Turkse volk woont in het uitgestrekte gebied in het noordweste van China, ten noorden van Tibet en ten westen van Mongolië. Het werd pas in de 18de eeuw voor het eerst bezet door China. In de jaren ‘20 en ’30 kwam Oeigoerië meer onder invloed te staan van Sovjet-Rusland en het wist zich in 1933 onafhankelijk te verklaren. In 1949 echter werd Oost-Turkestan, zoals het gebied genoemd werd, geannexeerd door communistisch China. De bezetting van Oeigoerië, door de Chinezen Xinjian of “Nieuwe grens” genoemd, is niet alleen te verklaren vanuit een bepaalde imperialistische neiging, maar vooral door de aanwezigheid van aardolie. Er is de Chinese overheid dus veel aan gelegen dit gebied onder controle te houden. De recente bomaanslagen in China zouden het werk zijn van Oeigoerse separatisten. Duidelijk is alvast dat vele Oeigoeren zich niet in hun sas voelen in de Volksrepubliek.
Net zoals Tibet is Xinjian onderhevig aan grootschalige binnenlandse kolonisatie. Waar er in 1949 slechts 6% Han-Chinezen in het gebied woonden, zijn het er in 1976 al 41%. De Oeigoeren maken er momenteel zo’n 45% van de bevolking uit, de rest zijn andere minderheden zoals Kazakken.
De wortels van de huidige repressie gaan terug tot 1990, toen er in de stad Baren grootschalige protesten plaatsvonden. Belangrijker nog waren de demonstraties van februari 1997 in Yining, tegen de Chinese migratie en de culturele en religieuze restricties. De vreedzame manifestanten wilden dat het theoretisch bestaande zelfbestuur in 'de autonome regio' Xinjiang ook in de praktijk werd uitgevoerd. De Chinese politie greep hardhandig in. Er werden minstens negen mensen doodgeschoten, honderden anderen raakten gewond. Vervolgens braken rellen uit, die resulteerden in duizenden arrestaties en publieke protesten. Er kwamen nieuwe maatregelen tegen 'religie als bron van oppositie' en tal van moskeeën en koranscholen moesten dicht. Elke vorm van godsdienstuiting, of het nu gaat om hoofddoeken dan wel gebeden, is in staatsscholen verboden. De achtduizend imams in Xinjiang moeten sinds 2001 jaarlijkse 'opvoedingssessies' volgen die volgens Human Rights Watch nog het meest lijken op de politieke strijdsessies uit het Mao-tijdperk.
11 september en de terrorismekoorts die daaruit geboren werd, zouden Peking een gedroomde gelegenheid bieden om de repressie tegen de Oeigoeren in te schrijven in de globale antiterreurcampagne. Tal van overheidsdocumenten moesten uitleggen welke de banden waren van Oeigoerse terreurorganisaties met Al-Qaeda, aantijgingen die door experts vlot werden weerlegd. Toch vroeg China, dat met de buurlanden sinds 1996 is verbonden in de veiligheidsgerelateerde Shanghai Cooperation Organisation, om de uitlevering van tal van 'Oeigoerse terroristen' uit de buurlanden. Verschillende mensen die uit Kazachstan werden gerepatrieerd in 2002, werden geëxecuteerd en hetzelfde lot ondergingen drie Oeigoeren die in Nepal nochtans de status van politiek vluchteling hadden gekregen. Een van hen, Shaheer Ali, had zelfs de martelpraktijken gedocumenteerd die hij voorheen in Chinese gevangenissen had ondergaan.
Pekings terreurclaims staan bovendien in scherp contrast met de verklaringen van de eigen leiders in Xinjiang als het gaat om investeerders aan te trekken. Naar de buitenwereld toe tracht men de onrust zo goed mogelijk verborgen te houden. De economische ontwikkeling van het gebied wordt overigens op een perfide manier aangewend om het gebied onder controle te houden. Zo zorgt Peking er voor dat lokale machthebbers kunnen delen in de winsten van de olieontginning. Op die manier slaagt het regime er in om van de Oeigoerse elite een objectieve bondgenoot te maken.
Tibetanen
Nog enkele plaatsjes lager op de ranglijst, na de Yi, de Tujia en de Mongolen, staan zo’n 5 à 6 miljoen Tibetanen. Hun aantal is moeilijk in te schatten, omdat de tellingen van de overheid moeilijk te betrouwen zijn. Overigens werden de administratieve grenzen van Tibet gewijzigd, zodat de meerderheid van de etnische Tibetanen niet eens in de autonome provincie Tibet woont.
Zoals je kon lezen in het eerste deel van de reeks, had Tibet zich in 1912 formeel onafhankelijk verklaard van China. In 1950 echter viel het Volksbevrijdingsleger het land binnen en sindsdien beschouwt China het als een deel van het land. Na eerst een tijdje met de Chinezen te hebben samengewerkt, vluchtte de Dalai Lama in 1957 naar India.
Na Mao’s dood in 1976 werden mondjesmaat de Tibetaanse gebruiken weer toegestaan, en kwam er een beetje meer vrijheid. In 1977 werden de gevulchte Tibetanen en de Dalai Lama door de Chinezen uitgenodigd om terug te keren. De Dalai Lama zond een afvaardiging om de toestand ter plekke te gaan bekijken. Het rapport dat nadien werd opgesteld was uitermate negatief, in die mate zelfs dat het niet werd gepubliceerd om de gesprekken met de Chinese overheid niet in gevaar te brengen. Het rapport beschuldigde de Chinese overheid ervan verantwoordelijk te zijn voor 1,2 miljoen Tibetaanse doden, de vernietiging van 6000 kloosters, de kap van de natuurlijke bossen enzovoort. Het is moeilijk de correctheid van deze cijfers in te schaffen. Maar het staat hoe dan ook vast dat de Chinese overheid onder Mao’s leiding zeer verwoestend te werk is gegaan in Tibet.
Desondanks bleven de gesprekken tussen d Chinese regering en de Tibetaanse regering in ballingschap doorgaan. De Chinese overheid deed intussen inspanningen om de situatie in Tibet te verbeteren. Het uitoefenen van de eigen religie werd op kleine schaal weer getolereerd, en een aantal geroofde kunstwerken werd teruggegeven aan d ekloosters.
In 1983 strandden de gesprekken tussen de Dalai Lama en China. De Tibetaanse leider zou bij een eventuele terugkeer onder huisarrest geplaatst worden in Peking, wat hij niet wilde. Vanaf dan richtte de Chinese politiek zich opnieuw op het zo veel mogelijk inlijven van Tibet bij China. Daarbij hoort o.m. de propaganda als zou Tibet ‘altijd’ bij China gehoord hebben.
Het meest opvallende aspect aan de Tibet-politiek is – net zoals in Oeigoerië – het bevorderen van een gestage toestroom van Han-Chinezen naar Tibet. De strenge één-kind-politiek geldt bijvoorbeeld niet in Tibet. Op 1 juli 2006 werd de spoorweg Peking-Lhasa in gebruik genomen waardoor het reizen naar Tibet een stuk sneller kan. Over het algemeen komen de vele investeringen van Peking in Tibet vooral ten goede aan de Han-Chinezen, waardoor er een verschil in levensstandaard ontstaat tussen de twee groepen.
Intussen gaat ook het assimilatiebeleid verder. De Chinese overheid voert hard campagne tegen de kenmerkende Tibetaanse cultuur en tegen het politieke en morele gezag van de Dalai Lama. Lokale Lama’s worden gedwongen hun trouw aan de Dalai Lama af te zweren. De functionarissen van de Communistische Partij gebruiken de kloosters als plaats voor ‘patriottische heropvoeding’ met als gevolg de verdrijving van 10.000 monniken en nonnen.
Ook in het onderwijs gaat de assimilatie voort. Het onderwijsbeleid heeft in de eerste plaats een politiek karakter en is niet gericht op de noden en behoeften van Tibetanen om onderwijs in hun eigen taal te genieten. Op de scholen – zeker in de middelbare scholen – is het Chinees de voertaal geworden. Wie verder wil studeren moet dat buiten Tibet doen. Hierdoor wordt de positie van de Tibetanen op de arbeidsmarkt verzwakt, wat weer bijdraagt aan de economische kloof tussen Chinezen en Tibetanen.
Minderheden ja, maar niet te veel
Op de openingsceremonie van de Olympische Spelen pakte de Chinese overheid uit met een mooi ogend nummertje, waarbij kinderen uit de 56 officiële minderheden de Chinese vlag begeleidden naar de mast. Het moest het harmonieus samenleven van de verschillende volkeren in China voorstellen. De werkelijkheid is echter veel complexer. Hoewel de Chinese overheid wel degelijk een beleid voert ten aanzien van minderheden, hen een officiële status en soms zelfs voordelen toekent, bepaalt Peking nog steeds in hoeverre elk volk zijn eigenheid mag beleven. Maar zodra die eigenheid te bedreigend wordt voor de Chinese eenheid, en vooral wanneer er economische belangen vasthangen aan die identiteit, grijpt de staat hardhandig in. Elke strijd draait om het bezit over arbeid, kapitaal en grondstoffen. Dát hebben de Communistische leiders in Peking goed onthouden van Marx. En de Chinezen zijn niet te benauwd om voor dat bezit over vele lijken te gaan.
Religie in een atheïstisch land
Godsdienst is de opium voor het volk, zo luidt een bekend gezegde van de vader van het Communisme, Karl Marx. En hoewel opium in het China van begin 20ste eeuw een populaire drug was, was het de religie die er al vele eeuwen in vele vormen en bij alle lagen van de bevolking alomtegenwoordig was. Hoe ging en gaat een regime dat per definitie atheïstisch is om met een zo wijd verspreid gegeven? In dit derde deel van onze China-reeks trachten we een – alweer – beknopt en onvolledig overzichtje te geven van religie in China.
Religie is eigenlijk geen al te beste term om het geheel van filosofieën, godsdiensten, levenshoudingen en volks- en bijgeloof te omschrijven. Taal heeft zo zijn beperkingen. Hou dus uw ongetwijfeld terechte klachtenbrieven nog even thuis, voor mijn en uw gemak houden we het bij ‘religies’.
Los van eender welke georganiseerde godsdienst die de Chinees belijdt, is zijn spiritualiteit sterk cultureel beïnvloed door volksgeloof, het Confucianisme en voorouderverering. De Chinese religies zijn sterk familie-gericht en vereisen – in tegenstelling tot de Westerse godsdiensten – geen exclusief lidmaatschap. Iemand die volgens de Taoïstische principes leeft kan perfect Boeddhistische tempels bezoeken en zijn voorouders vereren. Dat maakt het dus alweer moeilijk om duidelijke lijnen te trekken op vlak van religie in China. Cijfers plakken op het aantal gelovigen is zo mogelijk nog moeilijker.
De Communistische overheid van China is officieel atheïstisch. Toen de Volksrepubliek in 1949 gesticht werd, beschouwden de toenmalige leiders godsdienst als een product van het feodalisme en het Westerse kolonialisme. Religieuze praktijken werden bij wet verboden, en vele tempels, pagodes, kerken en moskeeën werden gesloten of omgevormd tot seculiere gebouwen. Tijdens de Culturele Revolutie ging men nog een stapje verder en wilde men alle uitingen van religie met de wortel uitroeien. Een groot aantal (voormalig) religieuze gebouwen werd met de grond gelijk gemaakt.
Het beleid ten aanzien van religie versoepelde in de loop van de jaren ’70 en de overheid stelde zich steeds toleranter op tegenover religie. De nieuwe grondwet van 1978 garandeerde zelfs godsdienstvrijheid voor allen, zij het wel met enkele beperkingen. De laatste jaren is de Chinese overheid religie steeds meer gaan beschouwen als een essentieel element in de culturele eigenheid van het land. In het bijzonder worden het Mayahana Boeddhisme, het Taoïsme en Confucianisme door de staat gepromoot. Sinds de jaren ’90 wordt zowaar weer geïnvesteerd in de bouw van nieuwe tempels. Toch blijven religie en Communisme onverzoenbaar; wie lid wil worden van de Partij mag niet religieus zijn. Anderzijds kan je in het overheidsapparaat geen carrière maken zonder partijkaart, wat dus niet bepaald een aanmoediging van religie betekent.
Er zijn vijf erkende godsdiensten in China: het Boeddhisme, het Taoisme, de Islam, het Katholicisme en het Protestantisme. Anderzijds wordt een religie als het Falun Gong dan weer vervolgd door de staat.
Volgens de cijfers die de staat tot voor kort hanteerde zouden er zo’n 100 miljoen gelovigen va verschillende godsdiensten zijn in China. Een studie van de Universiteit van Sjanghai legt dat cijfer echter op 300 miljoen. Tweederde van hen zijn Boeddhisten, Taoïsten of aanbidders van legendarische figuren zoals de Drakenkoning of de God van het Fortuin. Christenen zouden goed zijn voor 12% of ongeveer 40 miljoen mensen. Deze cijfers zouden de werkelijkheid nog steeds zwaar kunnen onderschatten, sommige schattingen gaan er van uit dat er tussen de 660 miljoen en één miljard Chinezen het Boeddhisme aanhangen. Dit valt echter moeilijk hard te maken, gezien het Boeddhisme geen echt lidmaatschap kent en weinig publieke ceremonies kent.
De houding van de Chinese overheid ten aanzien van de erkende godsdiensten is op z’n minst dubbel te noemen. Door het verlaten van het militante atheïsme en het toekennen van godsdienstvrijheid-onder-voorwaarden heeft het Communistische regime een belangrijke bocht gemaakt. Anderzijds speelt het in het voordeel van de overheid dat de erkende religies zgn. ‘georganiseerde religies’ zijn, nl. dat ze zoiets kennen als religieuze of spirituele leiders: lama’s, priesters, imams e.d. En het zijn net die leider die de staat onder controle tracht te houden, want het regime is er als de dood voor dat zijn gelovige burgers een andere loyauteit aan de dag zouden leggen dan die aan de Staat.
Boeddhisme
Het bekend voorbeeld van de manier waarop het regime een gelovige gemeenschap in zijn greep houdt, is Tibet. Voor de Tibetanen is het Boeddhisme een essentieel onderdeel van hun identiteit. Het Tibetaans Boeddhisme onderscheidt zich onder meer van andere vormen van Boeddhisme door de leraren of Lama’s. Tibetanen geloven in de wedergeboorte van de lama’s en geloven dat de Boeddha zich kan manifesteren in een menselijke gedaante.
Die tradities bleven onder de Chinese bezetting voort bestaan, en in 1996 werd de zesjarige Gedhun Choekyi Nyima herkend als opvolger van de Panchen Lama, de tweede hoogste spirituele leider. Kort daarna is de jongen samen met zijn volledige familie ontvoerd en heeft men niets meer van hen gehoord. De Chinese overheid kwam kort daarna op de proppen met een andere, ‘goedgekeurde’ Panchen Lama. Het spreekt vanzelf dat de Tibetanen zoiets niet kunnen aanvaarden.
De Chinese regering heeft in september 2007 ook een nieuwe wet goedgekeurd over de erkenning van reïncarnaties van ‘levende Boeddha’s’ (Tulku’s) en hoge lama’s waaronder de volgende Dalai Lama. Deze zouden voortaan enkel erkend kunnen worden door de nota bene atheïstische Chinese overheid. De nieuwe wet bepaalt ook nog eens dat de ‘selectie van reïncarnaties niet mag beïnvloed worden door een groep of individu van buiten China’. Het is overduidelijk dat China de Tibetaanse samenleving daarmee in het hart wil treffen.
Islam
Net zoals het Boeddhisme essentieel is voor de Tibetaanse identiteit, is de Islam het fundament van de Oeigoerse samenleving. De onderdrukking van de Moslims in China, meer bepaald in Oeigoerië, neemt zo mogelijk nog grotere vormen dan hetgeen gebeurt in Tibet. Vanzelfsprekend vindt de Chinese overheid een ideale kapstok in het internationale terrorisme van Al Qaeda om de onderdrukking van de Oeigoerse Islam te rechtvaardigen. Een rapport van Human Rights Watch uit 2005 maakt gewag van verregaande controles die zich niet alleen beperken tot religieuze activiteiten, scholen, culturele instellingen en uitgeverijen. Ook het individuele gedrag van de Oeigoeren wordt gecontroleerd. De imams uit het gebied worden gedwongen ‘opvoedsessies’ te ondergaan, iets wat overigens ook aan vele Tibetaanse lama’s wordt opgelegd. Het blijkt dat het op sommige plaatsen zelfs verboden is om met kinderen over godsdienst te praten. Wie hiertegen protesteert wordt meteen als separatist gebrandmerkt, iets waar in China de zwaarste straffen op staan.
Twee Katholieke kerken
Het Christendom bereikte China reeds in de zevende eeuw, maar de Katholieke kerk kreeg er pas voet aan de grond vanaf de 16de eeuw. Na de Communistische machtsovername trachtte de overheid de Katholieke kerk los te weken van Rome. Al gauw ontstond er een grote ondergrondse Katholieke kerk in het land. In 1957 werd de gezagsgetrouwe Chinese Patriottistische Katholieke Vereniging opgericht. Omdat de CKPV zijn eigen bisschoppen begon te wijden plaatste zij zich de facto in een schisma met Rome. Paus Pius XII aarzelde niet om de bisschoppen in kwestie te excommuniceren. De CKPV telt zo’n vier miljoen leden, terwijl het aantal leden van de ondergrondse kerk naar schatting 12 miljoen bedraagt.
De laatste jaren stelt het Vaticaan zich wat soepeler op tegenover China, een aantal CKPV-bisschoppen zijn zelfs met de goedkeuring van Rome gewijd. Het Vaticaan spreekt dan ook niet meer van een schisma en werkt actief aan een compromis met de Chinese overheid. Het feit dat de Heilige Stoel als één van de weinigen nog steeds Taiwan als dé Chinese republiek erkent speelt hier uiteraard ook een rol.
Falun Gong
De vrijheid die de beoefenaars van de erkende godsdiensten krijgen mag dan niet al te groot zijn, maar wie een niet-erkende religie zoals de Falun Gong aanhangt krijgt het wel heel zwaar te verduren.
Falun Gong, ook bekend als Falun Dafa, is een uit China afkomstige spirituele zelfdiscipline die in 1992 geïntroduceerd werd aan het Chinese publiek door haar grondlegger Li Hongzhi. Doel van het beoefenen van Falun Gong staat het verfijnen, of cultiveren, van lichaam en geest. Falun Gong beschouwt daarbij waarachtigheid, mededogen en verdraagzaamheid als hoogste leidinggevende principes.
Hoewel het een zeer jonge discipline is, werd Falun Gong in een snel tempo razend populair. Naar eigen zeggen zou Falun Gong in China 70 à 100 miljoen beoefenaars kennen, waaronder zelfs hooggeplaatste functionarissen. Of dit klopt valt moeilijk te achterhalen, maar de Chinese overheid is er in ieder geval niet gerust in. In 1999 stelt ze de beweging buiten de wet. Waarschijnlijk was de Chinese regering danig onder de indruk van het zich snel verspreidende fenomeen. Wat de overheid niet onder controle heeft, is per definitie verdacht in China. Door het feit dat de Falun Gong buiten de wet staat, heeft de overheid vrij spel om op een zeer hardhandige manier op te treden tegen de aanhangers ervan. Zij kunnen door de lokale politie en besturen zonder opgave van redenen en zonder vorm van proces worden aangehouden, uit hun huizen gezet, hun werk verliezen, en in psychiatrische ziekenhuizen en heropvoedingskampen worden gestopt. Zij hebben geen recht meer op een advocaat, kunnen niet in beroep gaan en mogen vanuit hun gevangenschap geen contact leggen met hun familie.
Godsdienstvrijheid met een grote ‘maar’
Godsdienstvrijheid in China bestaat, maar dan enkel binnen de lijntjes die de overheid heeft uitgetekend. Daar waar religie kan helpen in het bevestigen van de Chinese identiteit en de versterking van de ‘harmonieuze samenleving’ wordt het zelfs door de overheid aangemoedigd. Maar ondanks alles blijft China een totalitaire staat, die wil controleren wat de mensen denken, hoe ze leven, en er vooral voor wil zorgen dat haar eigen machtspositie niet in gevaar komt. Sinds de jaren ’70 is er op vlak van godsdienstvrijheid ontegensprekelijk een gunstige evolutie gebeurd. Maar het blijft bidden voor volledige vrijheid.
Economische ontwikkeling en milieuvervuiling
In 2007 was China de derde grootste economische macht ter wereld, na de Verenigde Staten en Japan, met een BBP van 3.280 miljard USD. China behoort daarmee tot de zogenaamde BRIC-landen, een acroniem voor Brazilië, Rusland, India en China, de snelgroeilanden. Het land hanteert sinds eind jaren ’70 een ‘socialistische markteconomie’, een spreidstand tussen de klassieke communistische ideologie en het kapitalisme, een op het eerste zicht succesvolle formule. Maar dat imposante BBP-cijfer zegt uiteraard niet alles.
De enorme economische groei van China is vooral te danken aan buitenlandse investeringen en aan de export. De binnenlandse consumptie draagt echter maar weinig bij aan het binnenlands product. China is de snelst groeiende economie van het afgelopen decennium, met groeipercentages tussen de 7 en 8 procent, soms zelfs tegen de 10 procent of meer.
Dit ‘Chinese mirakel’ gaat echter gepaard met grote problemen. Ten eerste is er een groeiende economische ongelijkheid tussen stedelingen en plattelandsbevolking. Ten tweede is er het probleem van de te lage landbouwproductie. China is een netto-invoerder van graan. En voorts kent China een te grote afhankelijkheid van energie en heeft het te maken met een snelle achteruitgang van het milieu.
De snelle economische groei heeft ontegensprekelijk positieve effecten voor de welvaart van de Chinezen in het algemeen. Daar waar in 1981 nog 74% van de bevolking met minder dan één dollar per dag moest rondkomen, is dat percentage in 2004 al gezakt naar 15%. De relatieve armoede is daarentegen wel enorm toegenomen. In 2005 bezaten de 8,6% rijkste families maar liefst 60% van het financiële kapitaal van het land. Verschillende studies tonen aan dat de 10% armsten van de bevolking hun levenssituatie hebben zien verslechteren, terwijl de 10% rijksten hun inkomen hebben zien exploderen. Het aantal Chinese dollarmiljardairs (met negen nulletjes, jawel), is gestegen van 3 in 2004 naar 106 in 2007.
De prijs die het milieu voor deze snelle groei betaalt is zorgwekkend, en zou wel eens een rem kunnen betekenen op de economische groei. Ter illustratie van deze problematiek volgt een artikel uit Het Nieuwsblad van 17 maart 2008.
Milieu betaalt prijs van ontwikkeling
De versnelde economische inhaalbeweging van China heeft desastreuze gevolgen voor het milieu. De overheid neemt maatregelen, maar een verergering van de catastrofe lijkt onvermijdelijk. Hebben China en andere landen in ontwikkeling recht op een evenredig aandeel in de milieuvervuiling?
De dramatische achteruitgang van het milieu in China hangt nauw samen met de economische revolutie waarbij het land twee tijdperken inhaalt - de industrialisatie en de internet age - in enkele decennia tijd. De gevolgen voor het milieu overvallen China in hetzelfde tempo. De immense lucht-, land- en waterverontreiniging is grotendeels te wijten aan de zware industrie waarop de economie draait, met vervuilende cement-, staal- en papierfabrieken en steenkoolcentrales, goed voor driekwart van China's energieproductie. Kwik en arseen vergiftigen meren, rivieren en drinkwater. Veel van de 1,3 miljard Chinezen verwarmen hun huis met kolenkachels die lustig roet en zwaveldioxide uitstoten. China gebruikt meer steenkool dan Europa, de VS en Japan samen. En ieder jaar meer. Door de massale uitstoot van zwaveldioxide is China wereldleider in zure regen. De neerslag vergiftigt meren, rivieren, bossen en landbouwgewassen. In steden als Datong verduistert de lucht het zonlicht. De luchtvervuiling overschrijdt er de alarmdrempels en houdt de inwoners binnen. De steenkoolprovincie Shanxi ziet zwart van het roet. Het aantal longkankers en andere ademhalingsziekten stijgt angstwekkend. Ook Peking en omgeving zijn berucht voor hun ongezonde lucht, en het groeiende gebruik van auto's en airconditioning geeft weinig hoop voor de toekomst. Honderd miljoen mensen leven in steden met een 'zeer gevaarlijk' niveau van vervuiling, berekende de Chinese Academie voor Milieuplanning. De vervuiling kost China drie tot vijf procent van zijn economische groei, en ze heeft wereldwijde gevolgen. Wolken van roet en zwavel waaien de Stille Oceaan over en vervuilen het westen van de Verenigde Staten. Ook in Europa zijn roetwolken uit China gedetecteerd. Ook China's uitstoot van broeikasgassen - volgens sommige berekeningen heeft China de leiderspositie van de VS al overgenomen - beïnvloedt het klimaat wereldwijd. Het energieverbruik en de uitstoot in China blijven de komende decennia groeien. Sinds 1999 is het aantal stedelingen verdubbeld, en die verbruiken drie tot vier keer meer energie dan mensen op het platteland. De Chinese overheid ziet in dat drastische maatregelen nodig zijn. Tegen 2010 wil ze het energieverbruik voor de productie van goederen en diensten met een vijfde doen dalen. Nieuwe auto's worden aan strenge uitstootnormen onderworpen en bouwvoorschriften voor dubbele beglazing moeten de behoefte aan verwarming en koeling doen dalen. Staatsbedrijven bouwen in een hoog tempo windmolens en China is 's werelds grootste producent van zonnecellen. De omstreden Drieklovendam, die meer dan een miljoen mensen uit hun huizen dreef en veel natuurschade aanrichtte, is wereldwijd de grootste producent van hernieuwbare energie (waterkracht).Kleine, vervuilende steenkoolcentrales moeten plaats maken voor grote, efficiëntere centrales (clean coal) en bestaande installaties krijgen zwavelfilters ingebouwd. Maar een drastische daling van de zwaveluitstoot kan nefast zijn voor het klimaat, waarschuwen wetenschappers. Zwaveldruppeltjes werken in de atmosfeer de opwarming tegen, omdat ze de zonnestralen weerkaatsen. Als China de zwaveluitstoot vermindert zonder ook de uitstoot van koolstofdioxide (een broeikasgas) sterk te beknotten, dreigt het broeikaseffect nog te versnellen. 'De overheid beseft dat ze hulp nodig heeft', zegt Yingling Liu van het Worldwatch Institute. 'Het milieuministerie heeft aan belang gewonnen en milieuorganisaties hebben nu meer vrijheid dan bijvoorbeeld mensenrechtenorganisaties. Ook de financiële sector steunt duurzame ontwikkeling.'Maar waarnemers vragen zich af of het onheil nog afwendbaar is. In vijf jaar tijd is het aantal airconditioners in China meer dan verdrievoudigd. In Peking komen er dagelijks meer dan duizend auto's bij. De energievraag blijft stijgen en de komende 25 jaar zal China meer broeikasgassen uitstoten dan alle geïndustrialiseerde landen samen. Bovendien heeft de centrale overheid geen totale controle over de economie. 'Veel vervuilende bedrijven worden beschermd door lokale overheden omdat ze jobs en inkomsten genereren', aldus Liu.De ecologische voetafdruk van een gemiddelde Chinees is nog altijd veel kleiner dan van een Amerikaan of een Europeaan. De uitstoot van koolstofdioxide per hoofd ligt in China tien maal lager dan in de VS. Maar de 1,3 miljard Chinezen (een vijfde van de wereldbevolking) evolueren naar een levensstijl met meer energieverbruik. Ontwikkeling en milieubescherming lijken elkaars tegenpolen. Nog meer dan andere landen heeft China dringend behoefte aan een leefbare combinatie van beide.
(Kim De Rijck)
Milieuvervuiling als wapen
Milieuverontreiniging is niet alleen maar een bijproduct van de snelle economische ontwikkeling van China. Al heeft de overheid nooit veel aandacht gehad voor natuurbehoud, in de bezette gebieden Tibet en Oeigoerië is het respect voor het milieu ronduit onbestaande.
Tibet kent veel natuurlijke rijkdommen, zoals borax, uranium, ijzer, chroom, zout, koper, steenkool en goud. Die worden in sneltempo ontgonnen, en wel zodanig dat men verwacht dat de reserves binnen een tiental jaar uitgeput zullen zijn. De verminking van het landschap die daarmee gepaard gaat is onnoemelijk groot. De massale ontbossing van Tibet heeft gevolgen op de bodem en het weer, en dus ook op de landbouw.
China geeft ook toe dat er continu nucleair afval wordt gedumpt op het Tibetaanse hoogplateau, en niet alleen Chinees kernafval. In 1984 heeft de Chinese nucleaire industrie aan westerse landen aangeboden hun kernafval in Tibet te dumpen aan 1500 USD per kilo. Meer en meer gevallen raken bekend van ziektes en misvormingen ten gevolge van de straling.
Het einde van de economische groei, en dus van de milieuvervuiling in China lijkt nog niet in zicht. De nood aan ‘propere’ energiebronnen en technieken wordt er alleen maar groter door. Nu we de gevolgen van de klimaatverandering aan den lijve ondervinden, kunnen we ons beginnen inbeelden wat er zou gebeuren mocht China dezelfde graad van ontwikkeling en vervuiling bereiken als het Westen. Of om het met een oude slogan te zeggen: No Time To Waste!
Mensenrechten in China: mooie praatjes en gebroken beloftes
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens viert op 10 december van dit jaar zijn 60ste verjaardag. Het is nog steeds het document bij uitstek waarmee de internationale gemeenschap zijn leden be- en veroordeelt. Organisaties als Human Rights Watch of Amnesty International hebben zich de voorbije decennia zowat opgeworpen als de waakhonden van de verklaring. Want tussen wat een overheid verkondigt en de dagelijkse gang van zaken wil nogal eens wat verschil opduiken. Voor wat China betreft, kan iedereen die de artikelen uit onze reeks gelezen heeft, meteen een tiental inbreuken op de verklaring vaststellen.
Toen in 2001 de Olympische Spelen aan China werden toegekend, stelde IOC-voorzitter Jacques Rogge dat hij verwachtte dat de Spelen een positief effect zouden hebben op de naleving van de mensenrechten in China en dat het IOC zou handelen indien er geen vooruitgang kwam. De Chinese regering van zijn kant deed de plechtige belofte om daadwerkelijk de mensenrechtensituatie te verbeteren. Een kleine twee weken voor het begin van de spelen kwam Amnesty International met een onthutsend rapport op de proppen: de mensenrechten in China zijn allebehalve verbeterd, integendeel. Hier onder lees je het persbericht van Amnesty Vlaanderen.
De Chinese autoriteiten hebben hun belofte om de mensenrechtensituatie te verbeteren gebroken en verraden daardoor de basisprincipes van de Olympische Spelen. Dit zegt Amnesty International in een nieuw rapport dat tien dagen voor de start van de Spelen gepubliceerd werd.
"Het mensenrechtenbeleid van China brengt een positieve erfenis van de Spelen in gevaar. Vreedzame mensenrechtenactivisten moeten onmiddellijk vrijgelaten worden, buitenlandse en Chinese journalisten moeten vrij hun werk kunnen doen en er moeten meer stappen ondernomen worden om de doodstraf af te schaffen," zegt Lore Van Welden, woordvoerster van Amnesty International Vlaanderen.
Het nieuwe rapport 'The Olympics Countdown: Broken Promises' evalueert vier beleidsdomeinen die verband houden met Olympische basisprincipes: het vervolgen van mensenrechtenactivisten, detentie zonder enige vorm van proces, censuur en de doodstraf.
Het document concludeert dat de mensenrechten in deze vier domeinen er meestal niet op vooruit zijn gegaan. In aanloop naar de Spelen heeft China iedereen die de 'stabiliteit' in gevaar brengt onder huisarrest geplaatst, vervolgd of opgesloten.
Mensenrechtenactivist en schrijver Hu Jia zit nog steeds vast voor het "ondermijnen van de staat" omdat hij schreef over mensenrechten en interviews gaf aan buitenlandse media. Hu Jia lijdt aan een leverziekte ten gevolge van een Hepatitis B infectie. De autoriteiten verhinderen echter dat zijn familie medicatie naar de gevangenis brengt.
Jacques Rogge, de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), beweerde onlangs dat de stille diplomatie van het IOC geleid heeft tot verschillende mensenrechtenhervormingen, zoals de nieuwe regelgeving voor buitenlandse media.
"Het moet gezegd dat China een aantal hervormingen doorvoerde, maar tegelijkertijd moet het IOC ook de achteruitgang op bepaalde vlakken publiekelijk durven aankaarten. Chinese journalisten werken nog steeds in een klimaat van repressie en censuur."
"Wereldleiders die naar de Spelen gaan, moeten openlijk opkomen voor mensenrechten en individuele mensenrechtenactivisten in China. Zo niet, dan geef je wereldwijd het signaal dat een gastland de Spelen kan ontvangen in een sfeer van onderdrukking en vervolging."
Een aantal gegevens en vaststellingen uit het rapport:
Vele Chinese mensenrechtenactivisten zitten nog steeds in de gevangenis of staan onder huisarrest. Anderen worden nauwgezet in de gaten gehouden door de politie zodat ze de Spelen niet zouden kunnen verstoren.
De Chinese autoriteiten hebben het administratieve strafsysteem, zoals "Heropvoeding door Arbeid" en "Gedwongen Drugrehabilitatie", uitgebreid zodat alle activisten voor de start van de Spelen eenvoudiger uit het straatbeeld van Peking kunnen verwijderd worden.
Tijdelijke regelgeving over persvrijheid voor buitenlandse media werd niet volledig toegepast. De 'Foreign Correspondents Club of China' registreerde sinds 1 januari 2007 260 gevallen waarbij de overheid tussenkwam tijdens perswerk. De nieuwe regelgeving is bovendien niet van toepassing op Chinese journalisten. Zij worden verhinderd om stukken te publiceren of reportages te brengen die door de overheid als gevoelig beschouwd worden.
De doodstraf wordt nog steeds toegepast voor 68 misdaden, waaronder ook niet-gewelddadige misdrijven zoals economische en drugsgerelateerde vergrijpen. De Chinese autoriteiten beweren dat het aantal executies gedaald is sinds het Hooggerechtshof opnieuw als controleorgaan dienst doet. China heeft echter nog steeds geen officiële doodstrafcijfers gepubliceerd.
Activiste Liu Jie werd opgesloten in Peking en kreeg 18 maanden "Heropvoeding door Arbeid" in de provincie Heilongjiang, in het noordoosten van China. Lokale bronnen beweren dat Liu Jie er fysiek mishandeld werd omdat ze het initiatief nam voor een open brief waarin de autoriteiten gevraagd wordt politieke en juridische hervormingen door te voeren.
In juni 2008 sloot de politie mensenrechtenactivist Huang Qi op omdat hij staatsgeheimen zou vergaard hebben. Huang hielp de familieleden van vijf schoolkinderen om een juridische klacht in te dienen bij de lokale autoriteiten. De vijf kinderen zijn omgekomen toen hun schoolgebouw in elkaar stortte tijdens de aardbeving in Sichuan in mei 2008.
China heeft ontegensprekelijk nog een lange weg af te leggen vooraleer we het een ware democratie mogen noemen. Maar de recente geschiedenis van China leert dat het immense land van heel ver komt. Democratie, zoals we die in het Westen kennen, heeft er nooit bestaan en heeft ook nooit de kans gekregen zich te ontwikkelen. Van een land dat uit de feoldaliteit is gekropen, enkel om decennia lang onder geweld gebukt te gaan, kan je geen totale omslag naar een volwaardige democratie verwachten. Dat zou pas een revolutie zijn. Maar als de Chinese Communistische leiders iets geleerd hebben uit de eeuwigdurende revolutie, dan is het dat ze revoluties kunnen missen als kiespijn.Voor de harmonieuze samenleving waar Peking naar streeft, moet heel veel wijken.
Dit alles betekent niet dat we mogen berusten in de situatie zoals ze is in China. Het is de plicht van de democratische landen om China er toe te blijven bewegen hun burgers alle rechten toe te kennen die universeel zijn.
Bronnen: Artikels uit De Tijd, De Morgen, De Standaard en The Economist. Documentatie van Vrienden van Tibet vzw. Van den Wijngaert, M. en De Prins, H. Van Koude Oorlog tot Nieuwe Wereldorde. Hedendaagse wereldgeschiedenis, Leuven/Apeldoorn, 1995. En het onvolprezen Wikipedia.